De betekenis van de
Losse korrels

Oom op bezoek

Geertje de Visscher

De ezeltjes graasden rustig in de wei, twee veulentjes speelden samen en hielden ieder hun moeder in de gaten, de derde merrie genoot onbezorgd van het lekkere gras.

Tijdens de wintermaanden hadden de drie merries het met hooi moeten doen, daarna hadden ze een tijdje in een naburig gelegen weiland gelopen. Enkele weken nadat ze weer in hun eigen vertrouwde wei liepen, hadden twee merries kort na elkaar een veulen ter wereld gebracht.

De veulens groeiden voorspoedig op en speelden dat het een lieve lust was. Ze renden achter elkaar door het nu lange gras en rustten uit in de nabijheid van hun moeder.

Zo verstreken er een paar maanden, totdat die bewuste avond een oom op bezoek kwam. Een oom die de rust verstoorde in de zo vredige ezeltjeswei.

De ezels keken nieuwsgierig op toen een paardentrailer de wei in werd gereden. De achterklep ging open en een stoere ezelhengst werd naar buiten geleid. Toch ook enigszins bedeesd nam hij de bewoners van deze voor hem nieuwe wei op, drie merries en twee veulens die hem van een afstand een beetje achterdochtig aankeken.

“Mama, wie is dat?” hoorde hij een van de veulentjes vragen.

“Geen idee, nooit gezien,” antwoordde de moeder.

“Kennen jullie hem?” Met een vragende blik keek de merrie haar twee buurvrouwen aan.

Nee, schuddende hoofden waren het antwoord, zij kenden hem ook niet.

Wat zou hij komen doen? Op veilige afstand bleven ze staan en bekeken het gebeuren met enige achterdocht. Ze waren wel nieuwsgierig, zoals de meeste ezeltjes zijn.

De hengst zette een paar stappen de vreemde wei in en draaide zijn hoofd om zijn nieuwe omgeving in zich op te nemen. Hij knikte richting de wachtende ezels en liep voorzichtig op ze af.

De merries gingen beschermend voor hun veulens staan en met hun vijven vormden ze een gesloten niet toegankelijke kudde. De hengst stopte en na een kort ogenblik waagde hij een nieuwe poging. Het gevolg was dat de ezels nog dichter bij elkaar gingen staan. Toen hij nog dichterbij kwam draaiden ze zich om en liepen van hem weg. Zich veilig voelend in de kudde keerden ze de vreemdeling de rug toe, ze hadden hem niet gevraagd hier te komen en hij moest daarom maar weer snel vertrekken.

De paardentrailer werd ondertussen de wei uit gereden, de poort werd goed afgesloten en de mensen die de ongenode gast hadden gebracht verwijderden zich van het weiland.

De ezels keken ontzet toe, het was toch zeker niet de bedoeling dat die hengst hier bij hen bleef?

Er was geen plaats voor hem, hij was niet welkom, ze hadden het goed met hun vijven en ze wilden graag dat het zo bleef.

Langzaam werd het donkerder, wat nu? De nacht met een vreemde man in de wei doorbrengen? De veulens moesten beschermd worden, de merries voelden zich niet op hun gemak.

Ze besloten naar de stal te gaan en daar af te wachten wat er verder zou gaan gebeuren. Misschien zou hij morgen vertrekken. De veulentjes waren moe van het spelen en van de spanning en een kwartiertje later stonden ze te knikkenbollen op hun stakerige beentjes. De merries besloten om de hengst in de gaten te houden, eentje zou steeds wakker blijven, dan konden de andere twee even slapen. Al gauw merkten ze dat de vreemde hengst ook ging slapen, hij had eerst nog wat gegraasd en rondgelopen en had toen een plekje in een hoek uitgezocht. Daar stond hij nu, afwachtend en ook niet wetend wat de nieuwe dag hem zou brengen.

De volgende dag was er niet veel veranderd aan de situatie. De hengst kuierde door de wei en de merries besloten met hun veulens toch ook maar aan hun ontbijt te beginnen. Vanuit een ooghoek hielden ze hem in de gaten, terwijl ze hun kinderen maanden om in de buurt te blijven.

Maar toen de hengst genoeg gegeten had van het malse gras kreeg hij meer belangstelling voor zijn nieuwe weigenoten. Hij ging toch maar eens proberen om contact te leggen. Vastberaden stapte hij op de kudde af met de bedoeling om vriendelijk kennis te gaan maken.

Dat was een misrekening, met hun vijven keerden ze hem weer de rug toe en zochten ze een hopelijk veilige hoek op. Niet dus, de hengst volgde gewoon. Dan maar naar een andere hoek, maar ook daarnaartoe volgde hij hen. Langs de afrastering zochten ze de derde hoek op en daarna ook de vierde hoek. En de hengst kwam op enige afstand rustig aan hen aan.

Er werd een sukkeldrafje ingezet, dat zou hem wel achterlaten, dachten ze.

“Mama, hij komt nog steeds,” zei een van de veulens.

“Mond dicht, niet op letten, blijf veilig bij ons,” commandeerde de moeder.

“Maar wat zou hij dan willen? Kunnen we niet vragen waarom hij hier is? Misschien is hij wel heel aardig,” protesteerde het veulen.

“Hoor je me niet? Hier blijven en mond dicht. We hoeven niet te weten waarom hij hier is. Hij moet gewoon weg, hij hoort hier niet.”

Licht hijgend draafden de ezeltjes aan de rand van het weiland voort en het hengstje volgde rustig en bedaard. Hij was zo slim om alle hoeken af te snijden, zo spaarde hij adem en bleef toch op gelijke lengte achter hen. Nog maar een rondje en daarna nog een keer helemaal rond. De veulentjes protesteerden, want ze wilden veel liever spelen of kennis maken met die vreemdeling.

“Mama, ik ben zo moe,” zei het ene veulentje. “Ja en ik ook,” viel het andere veulen zijn maatje bij.

“Nog even volhouden, hij zal zo meteen heus wel stoppen als hij merkt dat hij ons toch niet kan bijhouden,” zei een van de merries.

De veulentjes keken elkaar verbaasd aan, meende ze dat nou? Zagen die volwassenen dan niet dat die vreemde meneer veel slimmer was en nog lang niet zo moe, omdat hij de hoeken afsneed.

Soms begrepen ze niets van hun moeders en tante, wat deden ze moeilijk en waarom?

Na een halfuurtje achter de vijf ezels aan gesukkeld te hebben, gaf de hengst het op. Dan maar niet, misschien later op de dag nog maar eens proberen. Eerst nog wat van dat lekkere gras genieten.

De middag verliep rustig in de wei. De nieuwkomer deed geen poging meer om bij de anderen in de buurt te komen. Hij had wel voor zichzelf uit gemaakt dat hij de nacht ook ging doorbrengen in de stal. Misschien zouden ze dan tot een kennismaking komen.

`s Avonds laat toen hij de ezel familie richting stal zag gaan, stapte hij er ook op af. De vijf ezeltjes stonden dicht bij elkaar in de stal te kijken hoe hij naderbij kwam. Oei, wat nu?

Een van de merries riep tegen hem dat hij hen met rust moest laten, hij antwoordde dat hij geen kwaad in de zin had en alleen bij hen in de stal wilde slapen.

Een vreemde hengst in onze stal? Dat nooit, dat ging niet gebeuren. De vijf probeerden een onverzettelijke houding aan te nemen om de hengst af te schrikken.

Maar de hengst was vastbesloten, hij zou in de stal slapen, met of zonder de anderen, dat maakte hem niet uit. Hij was bijna bij de open voorkant van de stal en zag hoe de vijf bewoners toch eieren voor hun geld kozen en achter elkaar de stal verlieten. Oké, ook goed, hij kon binnen slapen en zij keken maar wat ze deden.

Hevig verontwaardigd liepen de ezels een stukje weg van de stal en beraadslaagden wat ze moesten doen. Hadden ze een keus? Moesten zij nu zomaar de nacht buiten doorbrengen, omdat een vreemdeling hun stal innam? Samen in één ruimte was immers geen optie.

En zo kwam het dat het ezelhengstje heerlijk de nacht doorbracht in de stal en de merries met hun veulens zochten beschutting achter de stal. Af en toe keek er eentje nieuwsgierig om een hoekje, dan knikte de hengst vriendelijk en vervolgens sloot hij zijn ogen weer.

Na een slechte nacht voor de kudde kwamen ze de volgende ochtend tot de conclusie dat er iets moest gebeuren, dit kon niet langer zo door gaan. De oudste merrie stapte op de bezoeker af en vroeg wie hij was en wat hij kwam doen. Na wat aarzelende voorzichtige antwoorden over en weer werd er toch een zekere mate van berusting merkbaar, de hengst was de kwaadste niet en de andere vier ezeltjes kwamen ook dichterbij. Het bleek dat hij ook niet wist waarom hij hiernaartoe verhuisd was, maar het leek hem wel een aardige plek. Als ze het goedvonden, wilde hij graag hier blijven.

Ze besloten om hem een kans te geven, nu ze met elkaar gepraat hadden merkten ze dat hij aardig was. Hij was vriendelijk tegen de veulens en netjes tegen de dames.

Deze dag kwamen ze elkaar naderbij, er waren wat gesprekjes en `s avonds nodigden ze de hengst uit om bij hen in de stal te slapen. Balkend van dankbaarheid voor de gastvrijheid nam hij de uitnodiging aan. Het werd een gezellige avond. Als de hengst lachte, kon de hele buurt mee genieten van het uitbundige geluid van zijn balken.

“Hij is best aardig,” fluisterde de volgende dag een van de merries. “Ja, ik vind hem ook leuk, ik hoop dat hij bij ons blijft.”

De hengst voelde zich helemaal thuis, speelde met de veulens, at zijn buikje vol en voerde beleefde gesprekken met de vrouwen. Die hem steeds aardiger begonnen te vinden.

Als hij even een eindje van de groep was verwijderd, kwam altijd een van de drie dames hem opzoeken. Dat beloofde wat. Drie knappe ezeldames, voor hem alleen.

Na twee weken waren ze allemaal aan elkaar gewend, elke avond balkte de hengst zijn groepje bij elkaar en zo was een hechte kudde ontstaan. Iedereen was tevreden en soms had de hengst een onderonsje met een van de ezelinnen. De vriendinnen konden delen en waren ieder blij met

extra aandacht van de hengst. Om de beurt mochten ze zich koesteren in zijn liefdevolle en verliefde houding. Dat hij de dames ook aantrekkelijk vond was wel duidelijk. Hij nam zijn taak als leider van de kudde serieus en zorgde op passende wijze voor het voorbestaan van de ezels.

De zomer verstreek, de wintermaanden kwamen en gingen en in het nieuwe voorjaar werd in de wei nieuw leven geboren. De hengst had zijn werk gedaan, de trotse moeders hadden ieder een nieuw veulen en de éénjarigen voelden zich groot en bezorgd voor hun kleine broertjes en zusje.

“Zie je wel dat wij gelijk hadden,” zeiden ze tegen elkaar, “die oom was heel aardig. Maar goed dat hij niet zomaar de moed opgaf. En moet je onze moeders zien, zo trots op hun nieuwe kinderen en zelfs tante heeft nu een veulen.”

Tevreden graasden en speelden de jonge en oudere ezeltjes in de wei en soms dachten ze nog eens aan die vreemde oom die op bezoek kwam. Dan hoorden ze zijn vrolijke lach weer en herinnerden ze zijn uitbundige gebalk. De merries keken elkaar met een blik van verstandhouding aan, een vreemde oom, ja, maar wel een leuke oom.

Lees meer over de betekenis

Lees meer verhalen